arrow_drop_up arrow_drop_down

Leren kijken tijdens rijles

Omgaan met de veelheid van Prikkels

In het verkeer krijg je enorm veel prikkels over je heen. Waar moet je nu eigenlijk allemaal op letten? Je hebt wel ervaring in het verkeer, maar dan met de fiets. Je fiets al jaren en je weet dat je moet uitkijken. Je bent onbewust bekwaam, want je hoeft niet meer na te denken over hoe je in het verkeer rijdt, het gaat als vanzelf. En je komt veilig op je bestemming aan.

Wanneer je rijles hebt word je geholpen om te leren omgaan met die veelheid van prikkels.

Vaardigheid aanleren

Je start met rijlessen met jouw verkeerservaring van de fiets en/of brommer. Dat is een voordeel, omdat bewegen in het verkeer je niet vreemd is. Autorijden is een vaardigheid die je gaat eigen maken. Je weet dat je (nog) niet weet hoe je als bestuurder reageert op de snelheid van de auto.  Of hoe hard je op de voetrem moet trappen om de auto te stoppen. Je leert, oefent en je wordt je gewaar van de krachten van de auto. Voertuigbeheersing en gewaarworden van de auto leer je in de veilige omgeving van je rijcoach. Zij zorgt voor de veiligheid.

Na een aantal rijlessen ga je de auto beter aanvoelen en denk je steeds minder na over welke handeling je moet doen. Bijvoorbeeld dat je de auto laat stoppen of juist harder gaat rijden. Op het moment dat je om kunt gaan met de krachten van de auto komt leren participeren in het verkeer. Dat doe je met je ogen in samenwerking met je hersenen.

Nieuwe informatie verzamelen

Je ziet verkeer op je af komen, van voor, naast, links en rechts van je. En er zullen regelmatig voertuigen achter je rijden of komen van achteren op je af rijden. Zoals iedereen wel weet kun je je niet omdraaien om naar achteren te kijken, omdat dat gevaar oplevert. Om naar achteren te kijken gebruik je de binnenspiegel en heel regelmatig ook de beide buitenspiegels. Wanneer je in de binnenspiegel het achteropkomende voertuig bekijkt, kun je soms het gevoel krijgen dat diegene bijna in de kofferbak van je auto zit. Door de kooiconstructie van de auto, raamstijlen en deurstijlen ontstaat er optisch bedrog, want in werkelijkheid is degene achter jou verder weg.

Tijdens de rijlessen train je de vaardigheid zoeken naar nieuwe informatie. Zoals het vooraf bekijken van de straal van een bocht, verkeersborden die je waarschuwen dat je een rotonde of een voetgangersoversteekplaats nadert. Je zoek je als bestuurder telkens weer naar nieuwe informatie.

De mens, het voertuig en de weg

In het verkeer heb je te maken met de weg, je voertuig en met jezelf (de mens) in wisselende weersomstandigheden. Zoals zon, flinke regen, mist of sneeuw. Bij deelname aan het verkeer heb je hoofdzakelijk je eigen gedrag in de hand. Het gedrag van het voertuig is afhankelijk van het gedrag van de bestuurder. Het gedrag van andere weggebruikers heb niet of nauwelijks in de hand. Een goede bestuurder gedraagt zich zodanig dat fouten van anderen niet worden verergerd of opgevangen. Voorbeeld: Als je een kruispunt nadert, waarbij bijvoorbeeld 10 verschillende personen zijn betrokken, dan heb je slechts voor maximaal 10 % controle over de situatie

De weg is statisch, zal zich niet verplaatsen. Alleen de wegbeheerder kan een weg openbreken, verbouwen en verbeteren. Meestal wordt zo’n weg afgesloten voor het verkeer en regelen verkeersregelaars het verkeer.

De weg geeft informatie aan jou als bestuurder. Het zogenaamde wegmeubilair. Bijvoorbeeld verkeersborden, witte kant- of asstrepen of witte vlakken op het asfalt. Naast de informatie de niet beweegt, zijn er wel bewegende onderdelen in het verkeer. Dat is de mens met of zonder voertuig.

Het verkeersspel is statisch en dynamisch.

Statisch is:

  1. Bouw van de weg ( bv smal, breed met of zonder fietspad, trottoir) of het soort weg (bv. Voorrangsweg, 30 zone gebied of autoweg)) waar je op rijdt. De weg blijft liggen waar hij ligt, tenzij de wegbeheerder werkt aan een verandering van de weg. Een weg, zonder fietspad, geeft je de informatie dat je rekening moet houden met fietsers en brommers op de rijbaan. Is er ook geen trottoir dan lopen voetgangers ook op de weg waar jij rijdt.
  2. Verkeersborden + verkeerslichten. Die lopen niet weg. Helaas hebben zij geen vaste plek. De ene keer staat het verkeersbord ruim voor de verkeerssituatie en hangt het verkeersbord hoog aan een lantaarnpaal.  En even verderop, in dezelfde weg, staat het verkeersbord dichterbij de verkeerssituatie en is bevestigd aan een eigen paal. Daar zit geen terugkerend regelmaat in. Verkeersborden staan wel aan de rechterkant van de weg.  En het verkeersbord voorrangsweg staat binnen de bebouwde kom vóór het kruispunt en buiten de bebouwde kom ná het kruispunt.
  3. Verkeerstekens op het wegdek. Zullen hoogstens iets vervagen, maar blijven liggen op hun plek.

Dynamisch is:

Overig verkeer: Bestuurders en voetgangers (= alle weggebruikers)

Het taakproces

De verkeersregels met of zonder ondersteunende verkeersborden, verkeerslichten en/of verkeerstekens helpen het samenspel in het verkeer. Men verwacht dat je de verkeersregels kent en kunt toepassen

Wanneer je deelneemt aan het verkeer kom je voor vele verschillende verkeerssituaties (verkeers-opgaven) te staan, die elk een eigen beoordeling en oplossing vragen. Elke bestuurder doorloopt een taakproces. Een bestuurder de taak heeft om veilig, vlot en sociaal in het verkeer te rijden. Er moet voorkomen worden dat er een ongeluk gebeurt.

Het taakproces is in de meest logische volgorde beschreven, maar een beslissing kan soms worden herzien. Wat ik daarmee bedoel wordt hieronder duidelijk.

1. WAARNEMEN

Een bestuurder van een auto kijkt naar, wat buiten haar auto gebeurt. Naast de statische informatie neemt zij het gedrag van andere weggebruikers waar, observeert. Zoals de remlichten, richtingaanwijzer of een achteruitrijlicht van andere auto’s, manoeuvres van andere weggebruikers, hoe druk het op de weg is of snelheden van andere voertuigen.

Het is voor een mens eigenlijk niet normaal om zonder lichamelijke activiteit toch zo snel kunt verplaatsen. Stel je voor dat je bij 50 km/u al gauw 14 meter per seconde rijdt. Dat betekent dat je in 5 seconde 70 meter verplaatst. Dat vraagt van jou om ver voor je uit te kijken.

Er zijn drietal technieken hoe je het beste kunt waarnemen.

Diepzien: je kijkt minstens 200 meter voor je uit. Je ziet hoe de weg verloopt, naar welke vorm verkeersborden of verkeerslichten je toe rijdt en hoe druk het verkeer is.

Wanneer je alleen zou diepzien dan verval je in staren. Om staren de voorkomen scan je de weg.

Scannen: Je scant de weg op bouw, verkeersborden en verkeerstekens. En natuurlijk de bestuurders die zich op jouw weg (een weg is van sloot tot sloot of van gevel tot gevel) bevinden. Scannen is een voorbereiding op checken.

Checken: Zodra je dichterbij komt zie de verkeerssituatie en/of het verkeersbord duidelijk en kun je de regels die bij het kruispunt horen en/of het verkeersbord verwerken.

Wat je waarneemt is telkens weer de “nieuwe informatie zoeken”.

2. VOORSPELLEN

Wat kun je verwachten wanneer je bij het conflictpunt bent aangekomen? Tijdens het naderen van die betreffende verkeerssituatie voorspel je het gedrag van die andere weggebruiker, aan de hand van wat je hebt waargenomen, ten opzichte van je eigen gedrag. Wat gaat zij doen?  Je voorspelt of je wel of niet in conflict komt.

3. EVALUEREN OF BEOORDELEN

Aan de hand van de verwachting schat je in welke maatschappelijke belangen mee spelen. Dit gaat over verkeersveiligheid, verkeersdoorstroming, milieubescherming en sociale aspecten.

4. BESLISSEN

Na de evaluatie moet je beslissen welk gedrag je gaat vertonen. Het kan zijn dat je nog geen beslissing kunt nemen of dat je een andere oplossing overweegt. Je zoekt als het ware nog naar een alternatief. In dat geval begint het proces opnieuw met waarnemen, voorspellen en evalueren om tot een (andere) beslissing te komen.

5. HANDELEN

Ten slotte komt het aan op de uitvoering van de beslissing en moet je gaan handelen. Je moet onder alle omstandigheden in staat zijn om de voorkomende handelingen uit te voeren. Om de juiste oplossing te kunnen vinden moet je telkens de vijf punten van dit taakproces doorlopen. Het hele proces van waarnemen tot handelen kost tijd. Wordt dit proces meerdere keren doorlopen, dan kost dat uiteraard nog meer tijd.